
Jurisprudentie
BC9346
Datum uitspraak2008-05-23
Datum gepubliceerd2008-05-23
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
Zaaknummers08/00596
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-05-23
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
Zaaknummers08/00596
Statusgepubliceerd
Indicatie
Bopz. Verlening van voorlopige machtiging; vervolg op HR 21 december 2007, NJ 2008, 29; geding na verwijzing, nieuwe geneeskundige verklaring (art. 5 lid 1 Wet Bopz); obiter dictum.
Conclusie anoniem
08/00596HR
Mr. F.F. Langemeijer
Parket, 19 maart 2008
Conclusie inzake:
[Betrokkene]
tegen
Officier van Justitie te Maastricht
In dit geding, een vervolg op HR 21 december 2007, NJ 2008, 29, is een voorlopige machtiging verleend. Daartegen wordt met diverse klachten opgekomen.
1. De feiten en het procesverloop
1.1. Bij beschikking van 8 augustus 2007 heeft de rechtbank te Maastricht een voorlopige machtiging verleend om verzoekster in cassatie (hierna: betrokkene) in een psychiatrisch ziekenhuis te doen opnemen en verblijven. Bij beschikking van 21 december 2007, NJ 2008, 29, heeft de Hoge Raad die beschikking vernietigd, kort gezegd omdat betrokkene niet was gehoord en niet naar behoren was opgeroepen teneinde te worden gehoord. De Hoge Raad heeft de zaak verwezen naar de rechtbank ter verdere afdoening.
1.2. De rechtbank heeft het verzoek opnieuw mondeling behandeld op 7 januari 2008 en betrokkene en haar raadsvrouwe en de behandelend psycholoog gehoord. De raadsvrouwe heeft pleitaantekeningen overgelegd.
1.3. Bij beschikking van 7 januari 2008 heeft de rechtbank een voorlopige machtiging verleend om betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis te doen verblijven tot 9 februari 2008.
1.4. Namens betrokkene is - tijdig - beroep in cassatie ingesteld. In cassatie is geen verweer gevoerd. Bij brief van 27 februari 2008 heeft de advocaat van betrokkene kopieën van bescheiden aan de Hoge Raad toegezonden die niet behoren tot de stukken van het geding in eerste aanleg (i.h.b. correspondentie van de advocaat met de geneesheer-directeur, daterend van na de bestreden beslissing). Deze stukken behoren buiten beschouwing te blijven; in ieder geval kan de feitelijke grondslag van de middelen alleen worden gevonden in de bestreden uitspraak en in de stukken van het geding(1).
2. De ontvankelijkheid van het cassatieberoep
2.1. De geldigheidsduur van de voorlopige machtiging is verstreken op 9 februari 2008. Naar vaste rechtspraak volgt een niet-ontvankelijkverklaring wanneer de betrokkene na het verstrijken van de geldigheidsduur van de machtiging geen belang meer heeft bij het beroep tegen de beschikking waarbij de machtiging is verleend(2). Daartoe strekt mijn conclusie.
2.2. In het cassatieverzoekschrift (blz. 6) is aangevoerd dat betrokkene er belang bij heeft dat de beslissing van de rechtbank in cassatie (retrospectief) wordt getoetst, omdat deze tezamen met de eerdere beslissing - bedoeld is kennelijk: de beschikking van 8 augustus 2007 - heeft geleid tot een vrijheidsbeneming van bijna zes maanden en omdat "die beslissingen door haar familieleden tegen haar gebruikt worden"(3).
2.3. De beschikking van 8 augustus 2007 is reeds door de Hoge Raad vernietigd en kan daarom niet meer aan betrokkene worden tegengeworpen. Indien betrokkene schade heeft geleden doordat de rechtbank een van de bepalingen in hoofdstuk 2 Wet Bopz niet in acht heeft genomen, had zij een verzoek om vergoeding op grond van art. 35 Wet Bopz kunnen indienen. Een vrijheidsbeneming op grond van de thans bestreden beschikking kan niet langer hebben geduurd dan van 7 januari 2008 tot 9 februari 2008. Om die reden valt niet, in elk geval niet zonder meer, in te zien hoe deze beschikking thans nog tegen betrokkene kan worden gebruikt. In het verleden heeft de Hoge Raad, wanneer de betrokkene geen belang meer had bij de behandeling van het cassatieberoep, in voorkomende gevallen gekozen voor een bespreking van het cassatiemiddel in een overweging ten overvloede. Om die reden volgt hieronder een bespreking van de klachten.
3. Bespreking van het cassatiemiddel
3.1. Na cassatie en verwijzing behoorde de rechtbank het inleidend verzoek van de officier van justitie opnieuw te beoordelen en wel: op basis van de feiten en omstandigheden die zich ten tijde van haar (nieuwe) beslissing voordeden. Weliswaar gaat het na cassatie en verwijzing door de Hoge Raad om voortzetting van dezelfde procedure, maar de aard van een procedure als de onderhavige, waarbij de persoonlijke vrijheid van de betrokkene in het geding is en de waarborgen van art. 5 EVRM in acht moeten worden genomen, laat niet toe dat de rechter zijn beslissing zonder nader onderzoek baseert op de feiten en omstandigheden welke hem reeds waren gebleken toen hij de in cassatie vernietigde beschikking gaf(4).
3.2. Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling na verwijzing heeft de raadsvrouwe van betrokkene een beroep op deze regel gedaan. Daarnaast heeft zij aangevoerd dat een nieuwe geneeskundige verklaring nodig is in verband met de tijd die sedert de eerste geneeskundige verklaring was verstreken. Het vereiste van een actuele geneeskundige verklaring volgt uit art. 5 lid 1 Wet Bopz, dat bepaalt dat een verklaring moet worden overgelegd van een psychiater die de betrokkene kort te voren heeft onderzocht. Uit de beschikking en de gedingstukken blijkt niet dat na verwijzing een nieuwe geneeskundige verklaring is opgemaakt; de rechtbank verwijst slechts naar de geneeskundige verklaring van 6 augustus 2007. Bij de mondelinge behandeling zijn van de zijde van betrokkene inhoudelijke bezwaren ingebracht tegen deze geneeskundige verklaring; zij zijn in de toelichting op het middel geciteerd.
3.3. De rechtbank heeft overwogen:
"(...) dat de rechtbank op grond van de door haar gehouden hoorzitting en verkregen inlichtingen tot de overtuiging is gekomen dat betrokkene lijdt aan een frontaal dementieel toestandsbeeld, welke toestandsbeeld is aan te merken als een stoornis van de geestvermogens als bedoeld in artikel 2 lid 1 van de wet Bopz, welke stoornis haar ook nog steeds gevaar doet veroorzaken. Het gevaar bestaat met name in de bepaald niet denkbeeldige kans dat betrokkene door het ontbreken van zowel ziektebesef als ziekte-inzicht in een desolate toestand zal terechtkomen. Dit is gebaseerd op de informatie van de psychologe, die uit hoofde van haar professie geacht moet worden een juiste inschatting te kunnen maken, en de rechtbank ziet geen aanleiding haar hierin niet te volgen. Verder is de rechtbank tot de overtuiging gekomen dat er nog geen sprake is van een stabiel netwerk zodat het gevaar vooralsnog niet door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis is af te wenden."
3.4. Onderdeel I van het middel klaagt dat de beslissing van de rechtbank onbegrijpelijk is, althans ontoereikend gemotiveerd. Ter toelichting is aangevoerd dat de rechtbank haar oordeel heeft gebaseerd op de geneeskundige verklaring van 6 augustus 2007, ondanks hetgeen ter zitting in eerste aanleg is aangevoerd met betrekking tot het feit dat de psychiater betrokkene niet persoonlijk heeft onderzocht. Aan de rechtbank wordt verweten dat zij niet is ingegaan op hetgeen de raadsvrouwe over de geneeskundige verklaring heeft aangevoerd.
3.5. In het middel valt niet een (concrete) rechtsklacht over een schending van de in alinea 3.1 bedoelde rechtsregel te lezen, noch een (concrete) rechtsklacht over schending van het voorschrift van art. 5 lid 1 Wet Bopz. De klacht dat onbegrijpelijk is op welke gronden de beslissing van de rechtbank berust, faalt. Blijkens de zo-even geciteerde overwegingen heeft de rechtbank haar beslissing gegrond op de geneeskundige verklaring van 6 augustus 2007, de gehouden hoorzitting en de verkregen inlichtingen (waarmee kennelijk is bedoeld: de inlichtingen van [persoon A], in het proces-verbaal van de zitting vermeld). Daarmee wordt voor de lezer van de beschikking inzichtelijk gemaakt op welke gronden de beslissing tot verlening van een voorlopige machtiging berust.
3.6. De klacht dat de rechtbank niet is ingegaan op het verweer van de raadsvrouwe omtrent de geneeskundige verklaring (samengevat: de gedateerdheid van de geneeskundige verklaring van 6 augustus 2007, de omstandigheid dat de psychiater betrokkene toen niet persoonlijk heeft gesproken en enkele inhoudelijke betwistingen als vermeld op blz. 4 van het cassatierekest) is echter gegrond. Ook voor deze beschikkingen geldt dat zij ten minste zodanig moeten worden gemotiveerd dat zij voldoende inzicht geven in de daaraan ten grondslag liggende gedachtegang om de beslissing zowel voor partijen als voor derden - in het geval van openstaan van hogere voorzieningen: de hogere rechter daaronder begrepen - controleerbaar en aanvaardbaar te maken. Hoe ver de motiveringsplicht van de rechter gaat, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Tot die omstandigheden behoort mede het aan de beslissing ten grondslag liggende partijdebat(5). Het gaat in dit geval om verweren die, in elk geval voor wat betreft de ouderdom van de geneeskundige verklaring van 6 augustus 2007 en de omstandigheid dat de psychiater betrokkene niet persoonlijk heeft gesproken, als essentieel zijn aan te merken. In de bestreden beschikking is de rechtbank in het geheel niet op deze verweren ingegaan. Ongewis blijft daarom, op welke grond die verweren door de rechtbank zijn verworpen. Om die reden komt het mij voor dat de klacht over een ontoereikende motivering zou slagen, ware het niet dat betrokkene in haar beroep niet-ontvankelijk is.
3.7. Indien in de bestreden beschikking het - impliciete - rechtsoordeel wordt gelezen dat de rechtbank de in de pleitnotities gevoerde verweren onbesproken kon laten omdat het verweer niet relevant was voor de te nemen beslissing, zou dat zuivere rechtsoordeel uitsluitend met vrucht kunnen worden aangevallen door middel van een rechtsklacht(6). Het middel bevat niet een desbetreffende rechtsklacht.
3.8. Onderdeel II klaagt dat onbegrijpelijk is dat de rechtbank tot de slotsom is gekomen dat sprake is van een uit de stoornis van de geestvermogens voortvloeiend gevaar, zodanig klemmend dat verzoekster voor de periode van maximaal 6 maanden van haar vrijheid mocht worden beroofd. In ieder geval is, gelet op de aanwezige gegevens en het verweer dat terzake is gevoerd, het oordeel volgens de klacht onvoldoende gemotiveerd.
3.9. Art. 2, lid 2, Wet Bopz houdt in dat een voorlopige machtiging slechts kan worden verleend indien naar het oordeel van de rechter de stoornis van de geestvermogens de betrokkene gevaar (als bedoeld in art. 1 Wet Bopz) doet veroorzaken en het gevaar niet door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis kan worden afgewend. De rechtbank heeft in haar overweging - reeds geciteerd in alinea 3.3 hiervoor - aangegeven wélk gevaar de rechtbank voor ogen heeft, op welke bronnen de rechtbank zich heeft gebaseerd en op welke grond zij van oordeel is dat het gevaar niet buiten een psychiatrisch ziekenhuis kan worden afgewend. De algemene klacht, dat de beslissing van de rechtbank onbegrijpelijk is, faalt om deze reden.
3.10. Ook voor zover de klacht inhoudt dat de rechtbank onvoldoende is ingegaan op het gevoerde verweer met betrekking tot het vereiste gevaar, faalt zij. Blijkens het proces-verbaal hield het verweer op dit punt het volgende in: "Inhoudelijk plaats ik vraagtekens bij het gevaar en daarnaast is er een netwerk om het eventuele gevaar af te wenden, t.w. ambulante hulp en dagbehandeling." De verwerping van dit verweer behoefde, om begrijpelijk te zijn, geen nadere motivering dan de rechtbank heeft gegeven.
4. Conclusie
De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van betrokkene in haar cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
1 Art. 419 lid 2 in verbinding met art. 429 lid 2 Rv.
2 Zie onder meer: HR 23 januari 1987, NJ 1987, 409; HR 9 januari 2004, NJ 2004, 213; HR 17 juni 2005, BJ 2005, 24. Ten overvloede: zie voor klachtzaken HR 16 maart 2007, NJ 2007, 378.
3 Deze laatste stelling is in het cassatieverzoekschrift niet uitgewerkt.
4 HR 28 oktober 1994, NJ 1995, 125 m.nt. JdB. De beslissing is herhaald in: HR 4 november 1994, NJ 1995, 126 en HR 2 maart 2001, NJ 2001, 278.
5 Zie onder meer: HR 4 juni 1993, NJ 1993, 659; HR 2 maart 2001, BJ 2001, 19 (rov. 3.3.2); HR 10 oktober 2003, NJ 2004, 37.
6 Vgl. Asser procesrecht/Veegens-Korthals Altes-Groen, 2005, nr. 119.
Uitspraak
23 mei 2008
Eerste Kamer
Rek.nr. 08/00596
IV/IS
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[Betrokkene],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. G.E.M. Later,
t e g e n
De OFFICIER VAN JUSTITIE
in het arrondissement Maastricht,
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als betrokkene en de officier van justitie.
1. Het geding in feitelijke instantie
Bij beschikking van 8 augustus 2007 heeft de rechtbank te Maastricht op daartoe strekkend verzoek van de officier van justitie aldaar een voorlopige machtiging verleend om betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis te doen opnemen en verblijven. Deze beschikking is door de Hoge Raad bij beschikking van 21 december 2007, NJ 2008, 29 vernietigd, waarna de zaak werd verwezen naar die rechtbank ter verdere behandeling en beslissing.
De rechtbank heeft in het geding na verwijzing het inleidende verzoek van de officier van justitie [opnieuw] mondeling behandeld op 7 januari 2008 en ter zitting betrokkene vergezeld van haar advocaat, en de behandelend psycholoog gehoord. Bij beschikking van diezelfde datum heeft de rechtbank een voorlopige machtiging verleend om betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis te doen verblijven tot 9 februari 2008.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van de rechtbank van 7 januari 2008 heeft betrokkene beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De officier van justitie is niet verschenen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van betrokkene in haar cassatieberoep.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.1 Wat betreft de feiten en het verloop van deze procedure verwijst de Hoge Raad naar de punten 1.1-1.3 van de conclusie van de Advocaat-Generaal en naar het hiervoor in 1 overwogene.
3.2 De geldigheidsduur van de, door de rechtbank in het geding na verwijzing, op 7 januari 2008 verleende voorlopige machtiging om betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis te doen verblijven is op 9 februari 2008 verstreken. Om deze reden heeft betrokkene geen belang bij haar beroep, zodat zij daarin niet kan worden ontvangen.
3.3 De Hoge Raad ziet nochtans aanleiding het volgende te overwegen.
Nadat de eerste beschikking van de rechtbank was vernietigd en de zaak ter verdere behandeling en beslissing naar haar was teruggewezen, behoorde zij het inleidende verzoek van de officier van justitie te beoordelen op basis van feiten en omstandigheden die zich ten tijde van haar nieuwe beslissing voordeden. Weliswaar gaat het na cassatie en verwijzing door de Hoge Raad om voortzetting van dezelfde procedure, maar de aard van een procedure als de onderhavige, waarbij de persoonlijke vrijheid van de betrokkene in het geding is en de waarborgen van art. 5 EVRM in acht moeten worden genomen, laat niet toe dat de rechter zijn beslissing zonder nader onderzoek baseert op de feiten en omstandigheden welke hem reeds waren gebleken toen hij de in cassatie vernietigde beschikking gaf (onder meer HR 2 maart 2001, nr. R00/158, NJ 2001, 278).
Daarom brengt het voorschrift van de slotzin van het eerste lid van art. 5 Wet Bopz, dat de bij een verzoek tot het verkrijgen van een voorlopige machtiging over te leggen geneeskundige verklaring inzicht verschaft in de actuele situatie van de betrokkene, mee dat de rechter na cassatie en verwijzing niet opnieuw op het inleidende verzoek beslist alvorens hem een nieuwe geneeskundige verklaring is overgelegd die aan dit voorschrift voldoet.
Nu noch uit de bestreden beschikking noch uit de overige gedingstukken blijkt dat een zodanige nieuwe geneeskundige verklaring is overgelegd, moet ervan worden uitgegaan dat dit niet is gebeurd, zodat de bestreden beschikking is tot stand gekomen op een wijze die strijdig is met het bepaalde in art. 5 lid 1 Wet Bopz.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart betrokkene niet-ontvankelijk in haar beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren P.C. Kop, als voorzitter, F.B. Bakels en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 23 mei 2008.